Stadhuis
In 1597 kreeg het toen middeleeuwse stadhuis zijn monumentale voorgevel in renaissance-stijl. De trotse gevel stond symbool voor de snelle economische groei van de stad, die volgde na Leidens ontzet in 1574. Boven de poort links van het bordes is een tijdvers van Jan van Hout opgenomen, dat verwijst naar het beleg door de Spanjaarden en Leidens ontzet.
De vergulde hoofdletters vormen samen het jaartal 1574, het aantal hoofdletters geeft de tijd van het beleg van de stad in dagen aan. Op de balustrade van het bordes verbeelden twee rustende kinderen de Tijd (l) en de Eeuwigheid (r). In de nissen naast de ingang staan vrouwen die Gerechtigheid en Vrede voorstellen. Wie door de ingang naar binnen stapt wordt verrast door het interieur, dat veel nieuwer is dan de gevel doet vermoeden. Dit is het gevolg van de ramp die zich in februari 1929 voltrok: het oude stadhuis brandde, op de renaissance-gevel na, tot op de grond toe af.
Verschillende architecten namen deel aan een prijsvraag om een ontwerp te leveren voor een nieuw stadhuis, met behoud van de oude gevel. Uiteindelijk kreeg de Haarlemse architect Blaauw de opdracht. Tussen 1934 en 1940 verrees het nieuwe stadhuis, dat vooral aan de zijde van het Stadhuisplein goed waarneembaar is. Hoewel de architectuur op het eerste gezicht traditioneel lijkt, zijn de gebeeldhouwde details aan het Stadhuisplein en de decoratie van het interieur verrassend modern. Het rijke materiaalgebruik werd per ruimte bepaald: marmer voor de burgerzaal, donker gekleurd hout voor de Raadzaal, lichtere kleuren voor B&W-kamer en burgemeesterskamer. Ook de meubelen zijn door Blaauw ontworpen. Topstukken zijn de houtinlegwerken naar ontwerp van Esscher, die zich in de B & W-kamer en de Burgemeesterskamer bevinden.






