NL EN De
Glazen-Huis-in-Leiden.jpg
GoldenTulip_Banner_VVV.gif
LUB_uitmail_banner.jpg
Banner_portal_leiden.jpg
Historie

Bouwgeschiedenis en de Rijn

De monding van de Rijn lag bij Leiden

De Oude Rijn loopt als een rode draad door de geschiedenis van het Leidse grondgebied. Reeds in de ijzertijd, rond 300 voor Christus, vestigden boeren zich in kleine leefgemeenschappen, hoofdzakelijk op de hooggelegen zuidoever van de rivier. Hun sporen werden nog niet zo lang geleden door archeologen gevonden in de Stevenshofjespolder.

Romeinen

Voor de Romeinen was de Rijn de noordgrens van hun enorme rijk. Zij bouwden verschillende forten langs de Limes, de belangrijke Romeinse grensweg. Eén van die forten, Matilo, ligt onder de oppervlakte van de Leidse Roomburgerpolder. De aanwezigheid van de Romeinse Limes lokte veel boeren en handelaren naar het gebied ten zuiden van de Rijn. Af en toe wordt één van hun nederzettingen aangetroffen, onlangs bijvoorbeeld in de Leidse binnenstad vlakbij de Hogewoerd. Het is aantrekkelijk om te vermoeden dat deze mensen aan de wieg stonden van de stad Leiden. Helaas is daar geen enkel bewijs voor te vinden. Rond het jaar 200 verlieten de Romeinen - en in hun kielzog veel van hun inheemse tijdgenoten - het gebied rond de rivier. Pas eeuwen later - na 800 - stuiten we weer op serieuze tekenen van menselijke activiteit.

De Oude Rijn

Over de tussenliggende periode is weinig bekend. We weten wel dat het karakter van de Rijn sterk veranderde. In de Romeinse tijd lag de monding van de Rijn nog bij Leiden. In de eeuwen daarna vond het water andere wegen om de zee te bereiken. Vooral in de Zuiderzee, ver van Leiden, zou steeds meer Rijnwater terecht komen. De rivier werd steeds smaller en uiteindelijk slibte de monding bij Katwijk dicht. Na 700 was de Rijn bij Leiden geen hoofdstroom meer. De naam 'Oude Rijn' was geboren.

De Burcht

Rond 900 was er sprake van een nederzetting, opnieuw gelegen op de hoge zuidoever van de rivier (nu de Breestraat), nabij een belangrijke kruising van waterwegen: de plaats waar Oude Rijn, Nieuwe Rijn en Mare samenstroomden. In dezelfde periode werd de Burchtheuvel opgeworpen. Eerst getooid met een houten palissade, vanaf ongeveer 1150 met een stenen ringmuur met kantelen.

De nederzetting met de Burcht was van zodanig belang, dat de graven van Holland één van hun pleisterplaatsen inrichtten in het gebied ten zuiden van de nederzetting. Het Gravensteen werd gebouwd als hun gevangenis. In 1121 werd de grafelijke kapel ingewijd. Later zou deze uitgroeien tot de Gotische Pieterskerk.

Stadsrechten

In 1266 gaf graaf Floris V vanuit zijn Gravensteen een schriftelijke bevestiging van stadsrechten voor Leiden. Daarna ontwikkelde de jonge stad zich in hoog tempo. De eerste vestgracht - nu het Rapenburg - werd gegraven. Leiden werd belangrijk als marktstad en ontwikkelde een industrie die het grootste deel van haar geschiedenis een hoofdrol zou spelen: de textielindustrie. Deze nijverheid zorgde voor een snelle groei van Leiden. In 1389 bereikte de middeleeuwse stad haar maximale grootte: het gebied tussen de Witte Singel in het zuid-westen, de Oude Singel in het noorden en de oostelijke vestgracht, die ongeveer de lijn Herengracht - Spilsteeg - Geregracht volgde. Even was Leiden de grootste stad van Holland.

Kerken

Binnen de Leidse stadsmuren werd flink gebouwd. Bekend zijn de grote kerken: Pieterskerk, Hooglandse Kerk en Vrouwekerk. Verschillende gasthuizen en kloosters verrezen. We vinden ze nog terug ten noorden van de Haarlemmerstraat, in het tegenwoordige Museum Boerhaave en het Elisabethgasthuis. Moeilijker herkenbaar is het Catharinagasthuis aan de Breestraat. De vroegere kapel is nu Waalse kerk.

Stenen huizen

Resten van huizen uit de middeleeuwen zijn nauwelijks terug te vinden. De huizenbouw was aan de grootste veranderingen onderhevig, als gevolg van mode, slijtage of stedelijke regelgeving. In de loop van de vijftiende eeuw werden er geen houten huizen meer gebouwd, vanwege het brandgevaar. Alle nieuwe huizen werden vanaf toen in steen opgetrokken, in de tijd daarvoor was dit alleen betaalbaar voor de rijken. De resten van hun stenen huizen vinden we nog terug in verschillende middeleeuwse kelders aan de Breestraat.

Marktplaats

En de rivier? Deze bleef de levensader, al was het geen hoofdstroom meer. De oevers aan beide zijden werden flink aangeplempt en de rivier steeds verder gekanaliseerd. De Rijn werd stadsgracht. Langs de kaden werd handel gedreven, op de markten. Een marktplaats zoals in Haarlem, Gouda of Delft was nergens te vinden. Al eeuwenlang is de Rijn het marktplein van Leiden.

Het Beleg

Het einde van de middeleeuwen werd gekenmerkt door economische tegenspoed en onrust. In 1566 gingen tijdens de beeldenstorm ook Leidse kerkschatten verloren. Toen de Spanjaarden in 1573 hun beleg begonnen, was Leiden een sterk ontvolkte, bijna failliete stad. Toch doorstonden de Leidenaren het beleg op wonderbaarlijke wijze. Na Leidens ontzet kreeg de economie een enorme impuls, vooral te danken aan de grote stroom vluchtelingen uit de zuidelijke Nederlanden. De lakenindustrie werd nieuw leven ingeblazen en tien jaar later was Leiden weer boven Jan.

De Universiteit

De herwonnen stedelijke trots kwam tot uiting in verschillende grote bouwwerken, zoals de nieuwe gevel voor het Stadhuis, het Rijnlandhuis en de Latijnse School. Van groot belang voor de latere Leidse geschiedenis was het initiatief van Willem van Oranje om de eerste universiteit van Holland in Leiden te vestigen. In 1581 werd de academie gehuisvest in de voormalige kapel van het Witte Nonnenklooster, nu nog altijd bekend als Academiegebouw.

Slingerende singels

In de gouden eeuw groeide de stad explosief, verschillende uitbreidingen waren noodzakelijk. Leiden bereikte de omvang die wij nu "de binnenstad" noemen. Rond de stad werden wallen en bolwerken opgeworpen. Deze verdedigingswerken zouden de singels hun karakteristieke slingerende verloop geven. In de stad waren de bouwactiviteiten niet de stuiten. Centrum van de textielnijverheid was de nieuwe Lakenhal. De Marekerk was het eerste kerkgebouw dat na de reformatie speciaal gebouwd werd voor de protestantse eredienst. Aan het Rapenburg lieten de rijken hun stadspaleizen optrekken.

De Waag

In de nieuwe stadswijken verrezen in hoog tempo huizen voor het leger van arbeiders en ambachtslieden. Zeer veel van deze huizen zijn nog altijd aanwezig, al zijn ze vaak verborgen achter voorgevels van later datum. Aan de Rijn werd een nieuwe Waag gebouwd, een onmisbaar instituut voor een marktstad. De Waag functioneerde als ijkwezen. Alle goederen die over de Rijn de markt bereikten werden hier gewogen. Zo was er nooit misverstand over de hoeveelheid koopwaar die van eigenaar verwisselde.

Theekoepels en buitenplaatsen

De Leidse economie was bijna volledig afhankelijk van de textielnijverheid. Toen deze als gevolg van de grote concurrentie uit Engeland en Brabant inzakte, kwam de klap dus hard aan. In 1670 had de stad 70.000 inwoners, een eeuw later was dit aantal gehalveerd. Er ontstond grote leegstand, veel huizen werden afgebroken. Alleen de rijken teerden in de achttiende eeuw nog op de kapitalen die ze een eeuw daarvoor vergaard hadden. In de winter bewoonden zij hun huizen aan Rapenburg en Breestraat, die ze steeds naar de laatste mode wijzigden. In de zomer ontvluchtten ze de stinkende verwaarloosde stad en verbleven ze in hun theekoepels en buitenplaatsen in het omringende land, langs het water van de Rijn, de Mare, de Vliet en de singels. Veel van deze theekoepels en buitenhuizen zijn er nog, opgenomen in de latere stedelijke bebouwing.

Franse tijd

De geschiedenis herhaalde zich aan het einde van de achttiende eeuw. Buitenlandse troepen trokken samen voor de poorten van een straatarme stad, dit keer geen Spanjaarden, maar Fransen. De Franse tijd doorstond Leiden allesbehalve geluidloos. Met een daverende knal, die in Leeuwarden te horen was, ontplofte een schip geladen met kruit, dat afgemeerd lag aan het Steenschuur. Er waren vele doden en gewonden. Koning Lodewijk Napoleon maakte zich in Leiden populair door zijn zorg voor de gewonden en zijn inzet voor de wederopbouw van het getroffen gebied. Op de ruïne moesten een nieuw academiegebouw en een kazerne verrijzen. Door geldgebrek kwam van deze plannen niets terecht. Het enige dat Lodewijk Napoleon achterliet, was het nieuwe klassicistische interieur van de Lodewijkskerk, één van de grootste architectuurprojecten uit deze periode in Nederland.

Nieuwe industrieën

Na het vertrek van de Fransen duurde het enkele tientallen jaren voordat in Leiden een economische opleving plaatsvond. Vanaf 1830 groeide de industrie snel. In de dunbevolkte zeventiende-eeuwse stadswijken in het noorden en oosten was voldoende ruimte voor de bouw van nieuwe fabrieken. De omliggende, sterk verkrotte huisjes boden huisvesting aan de groeiende arbeidersbevolking. Opnieuw voerde de textielindustrie de boventoon, maar ook andere bedrijfstakken kwamen op. De belangrijkste was de conservenindustrie. De groene stadswallen hadden hun militaire functie verloren. Zij werden afgegraven en boden ruimte aan fabrieken, begraafplaatsen en parken.

Scholen

Als gevolg van de nieuwe onderwijswetten verrees in de stad een groot aantal schoolgebouwen, vooral van stadsarchitect Schaap. Ook de snel groeiende universiteit had veel ruimte nodig. Op het bolwerk aan de Witte Singel werd een nieuwe Sterrenwacht gebouwd, op de ruïne aan het Steenschuur verschillende laboratoria en musea. Rooms-Katholieken hadden, ruim twee eeuwen na de reformatie, weer de mogelijkheid om kerken te bouwen. Drie nieuwe kerken verrezen, waarvan tegenwoordig alleen de Hartebrugkerk is overgebleven.

Vreewijk

Het is opvallend dat de negentiende-eeuwse groei grotendeels plaatsvond binnen de zeventiende-eeuwse stadsgrenzen. Alleen rijke Leidenaren bouwden nieuwe huizen net buiten de stadsgrenzen, onder meer langs de singelrand en de invalswegen. De huizen stonden op het grondgebied van de landelijke gemeenten, die Leiden omringden. Hier was meer ruimte en betaalde men minder belasting, terwijl wel gebruik kon worden gemaakt van de stedelijke voorzieningen. In 1896 was het echter uit met de pret. Leiden kreeg toestemming voor een aanzienlijke gebiedsuitbreiding buiten de singels. De reeds bestaande bebouwing stond ineens op Leids grondgebied. Kort voor 1896 was de bouw begonnen van de eerste echte woonwijk buiten de singels: rond de buitenplaats Vreewijk kwamen rechte straten met huizen voor beter gesitueerden

Dudok en Jesse

Ook voor de mensen met smallere beurs werd gebouwd. Woningbouwverenigingen realiseerden hun eerste grote bouwprojecten, onder meer aan de Rijnsburgersingel, de Gerrit Doustraat en de Herenstraat. Vanaf 1907 bestond er een stedenbouwkundig plan voor de nieuwe uitbreiding. Vrijwel nergens werd het uitgevoerd, het is alleen goed zichtbaar aan het begin van Burggravenlaan. Volgens plan werd deze nieuwe boulevard, waar hij aansloot op de Hoge Rijndijk, verrijkt met monumentale hoekgebouwen: het Militair Invalidenhuis en de HBS van architect Dudok. Deze beroemde bouwmeester was toen directeur gemeentewerken. Hij was ook verantwoordelijk voor het nieuwe gebouw van het Leidsch Dagblad aan de Witte Singel. Korte tijd later vertrok hij naar de gemeente Hilversum, waar hij grote furore zou maken. Minder beroemd, maar belangrijker voor het Leidse stadsgezicht waren plaatselijke architecten als H.J. Jesse en W.C. Mulder. Overal in de stad lieten zij hun werken na, zowel binnen als buiten de singels, zowel villa's als arbeiderswoningen, bijvoorbeeld in De Kooi.

Burgemeesters- en Professorenwijk

De gebiedsuitbreiding van 1920 maakte een nieuw stedenbouwkundig plan noodzakelijk. Uiteindelijk werd het plan van het vermaarde bureau Granpré Molière, Verhagen en Kok in 1933 goedgekeurd. Hun plan volgde de nieuwste inzichten op het gebied van stedenbouw. De nieuwe wijken kregen veel ruimte en groen en kleinschalige architectuur. In de Burgemeesters- en Professorenwijk zijn de nieuwe uitgangspunten nog zeer goed waarneembaar. Niet op alle punten werd het plan gevolgd: de Petruskerk met het omliggende huizenblok aan de Lammenschansweg, nu het meest opvallende gebouw van de wijk, was oorspronkelijk niet op deze plaats gepland.

Stadspoorten weg

De groei van de stad had grote invloed op het oude centrum. Door de grotere verkeersstromen uit de nieuwe wijken zag het stadsbestuur zich rond 1900 genoodzaakt de meeste stadspoorten, die de invalswegen blokkeerden, af te breken. Alleen de beide poorten aan de lage zijde van de Rijn - de Zijlpoort en de Morspoort - bleven behouden. De tram verscheen in de stad. Grachten werden gedempt, bruggen verbreed en huizenblokken gesloopt. De bevolking trok naar de nieuwe huizen in de buitenwijken, het oude centrum werd vooral werkplek, waar de industrie zich concentreerde. Verder kwamen er enkele nieuwe openbare voorzieningen, zoals een politiebureau in de stijl van de Amsterdamse school. Na de stadhuisbrand van 1929 werd de gelegenheid aangegrepen om achter de renaissance-gevel aan de Breestraat een stadhuis van groot formaat op te trekken, passend bij de omvang van de snel groeiende stad.

Wederopbouw: Zuid-West

De schade die de Tweede Wereldoorlog in Leiden aanbracht was in vergelijking met andere Nederlandse steden beperkt. Alleen de wijk bij het station werd gedeeltelijk verwoest. De groei van de stad, die tijdens de oorlog stokte, kwam weer goed op gang in de jaren '50. De architectuur uit het begin van de wederopbouw was sterk geënt op de vooroorlogse ideeën. Voorbeelden hiervan zijn te zien aan de Willem de Zwijgerlaan en in de oudste delen van Zuid-West.

De bouw van de eerste Leidse torenflat aan het Van Vollenhovenplein in 1958 luidde een nieuwe periode in. Hoogbouw zou de oplossing bieden voor de grote woningnood. In de nieuwe wijk Zuid-West werd veel hoogbouw, afgewisseld met laagbouw, gerealiseerd. Nieuw in deze wijk was dat serieus gedacht werd over het scheiden en leiden van verkeersstromen.

Morskwartier en Merenwijk

De gebiedsuitbreiding van 1966 gaf opnieuw ruimte voor stadsuitbreidingen. Het Morskwartier werd flink uitgebreid met hoofdzakelijk hoogbouw, bijvoorbeeld aan de Cruquiuslaan. Dergelijke Bijlmer-achtige bebouwing moest volgens de Stedenbouwers ook de nieuwe Merenwijk geheel vullen. Na de bouw van het eerste deel, Slaaghwijk, veranderden de inzichten. Het idee van hoogbouw werd verlaten, er kwamen vooral eengezinswoningen met veel groen. De huizen werden gebouwd aan woonerven met poëtische namen eindigend op "-vlinder", "-werf", "-bloem" of "-donk". De wijk werd ontsloten door een rondweg en een apart net van fietspaden.

Stevenshof

De laatste grote stadsuitbreiding van de twintigste eeuw is de Stevenshof. Ook hier werd een rondweg voor de ontsluiting aangelegd, maar van "donken en vlinders" was geen sprake meer. In de Stevenshof staan de huizen - vooral laagbouw - gewoon weer aan straten.

De oude landschapsstructuren gingen met de bouw van de nieuwe wijken vaak verloren. Veel boerderijen werden gesloopt. Sommige historische elementen werden echter opgenomen, zoals de middeleeuwse Broekweg in de Merenwijk en de Dijkhoflaan in de Stevenshof.

Cityring

Door de explosieve naoorlogse groei werd de oude binnenstad vergeten. Het bankroet in de jaren '60 van vrijwel alle fabrieken binnen de singels droeg bij tot het negatieve beeld dat buitenstaanders toen van het oude Leiden hadden: een vervuilde, desolate stad waar men niet graag vertoefde. Het gemeentebestuur dacht de stad te kunnen saneren en moderniseren door een ingrijpend wegenplan uit te voeren. Gestart werd met flinke doorbraken om de Hooigracht en Langegracht te verbinden, als onderdeel van de "Cityring".

Stadsvernieuwing

In 1974 volgde een kentering in het denken over de binnenstad. De term "stadsvernieuwing" werd geïntroduceerd, het wegenplan overboord gezet. Men begreep dat de kleinschalige historische structuren van de binnenstad gekoesterd moesten worden. Deze nieuwe tendens kwam het beste tot uiting in de nieuwbouw in het gebied rond Waardgracht en Oranjegracht, waar het oude grachten- en stratenpatroon bijna volledig in stand bleef. De Leidse bevolking koos deze wijk enige jaren geleden tot het beste naoorlogse nieuwbouwproject.

Roomburg

Momenteel wordt gewerkt aan de laatste nieuwbouwwijk die op het huidig grondgebied van Leiden mogelijk is: Roomburg. Inderdaad op de plek waar ooit de Romeinse nederzetting Matilo fier overeind stond en waar de resten van nog in de grond zitten. Oftewel, hoe maakt een stad de cirkel rond?

De Rivier

De grote inspanningen van de afgelopen decennia om de binnenstad nieuw leven in te blazen leverden flinke resultaten op. Vrijwel alle grote monumenten werden gerestaureerd. In het inwonersaantal van de binnenstad zit nog altijd een stijgende lijn.

En de rivier? Toegegeven moet worden dat de rol van de Rijn als waterweg afnam, naarmate de stad groeide. Rond de stad kwamen kanalen om de steeds groter wordende schepen buiten de binnenstad te houden. Toch is de Rijn nog altijd niet zomaar een stadsgracht. Het is de spil van het tegenwoordige kern-winkelgebied en nog steeds, na al die eeuwen, het marktplein van Leiden. Ondanks verschillende bypasses bleef de Rijn de slagader van de stad, de rode draad door vijfentwintig eeuwen geschiedenis.

Bart Rijsbergen


« Historie